Nieuwsbericht

14 november 2017

De medicijn kist

Wat zat er in de chirurgijnskist van Hendrik Haelbos en de onderchirurgijn?

De kist met medicamenten en instrumenten was de wapenrusting van de scheepschirurgijn. Uit de grote aandacht die deze kist steeds weer kreeg in vrijwel alle regelingen en voorschriften voor de geneeskundige dienst aan boord, blijkt wel welke grote waarden de autoriteiten er aan toekenden. Bij de uitrusting van de expeditie onder Pieter van der Does in 1599 bemoeiden zelfs de Staten Generaal zich met de inhoud, waaraan men, alle ervaringen en teleurstellingen ten spijt, honderden jaren lang zijn vertrouwen bleef schenken. 

De kisten bestonden uit een eenvoudige houten buitenkist, met daarin passend een met ijzer beslagen 'droogkist' voor het opbergen van de medicamenten. De kleinste soort, bestemd voor een voorraad voor 50 man was 120 cm. lang, 60 breed en 70 hoog; de grootste maat, voor 300 man, had de afmetingen 180 bij 70 bij 70 cm. 

 Dit is een medicijn kist te zien in het Goteborg Marine Museum

Dit is een medicijn kist te zien in het Goteborg Marine Museum

De verscheidenheid van deze geneesmiddelen was groot: laxeermiddelen, kruiden, bloemen, zaden, stropen, honingsoorten, gedroogde vruchten, poeders, olieën, zalven, pleisters, gommen en meelsoorten waren onmisbaar voor een goede chirurgijn onmisbaar geacht. (Voor  een lijst uit 1705, kijk hier)
De kist was verdeeld in laden en vakken. Kruiden en andere drogerijen werden bewaard in leren zakjes, behalve de sterk vochtaantrekkende, die in tinnen busjes geborgen moesten worden. Stropen en conserven gingen in geglazuurde aarden kruikjes; gedestilleerde waters en bijtende vloeistoffen in glazen flessen met tinnen dop; iedere fles had in de kist zijn afzonderlijk, met wollen stof gevoerd vakje. Zalven borg men in stenen potjes, afgesloten door een varkensblaas; pleisters en gommen, metalen, meelsoorten en andere droge stoffen in goed sluitende leren zakjes. In een afzonderlijk ingebouwd kistje was plaats voor het instrumentarium. 

Het instrumentarium bestond uit een zaag, enige messen, een kiezentang, snijtangen en kogeltangen, brandijzers, een ravenbek- en een pelikaantang. Bijzonder kostbaar was de trepaan met toebehoren, twee kronen en nog zeven andere onderdelen, die in elkaar geschroefd konden worden. Verder hoorden er nog bij twee klisteerspuiten, een catheter, twee kleine tinnen spuitjes waarmee vloeistof of zalf in een wond gespoten kon worden en een buisje met hechtnaalden. De lancetten voor het aderlaten werd de chirurgijn zelf geacht te bezitten. Verbandstoffen behoorden tot de uitrusting van het schip; men gebruikte daarvoor oud linnen. 

In de tijd van Hendrik Haelbos bracht een chirurgijn zijn eigen kist mee aan boord, waarvoor hij, buiten zijn gage, geen afzonderlijke vergoeding ontving. Wel heten zowel de Admiraliteiten als de Kamers van de O.I.C. de inhoud door hun doctores medicinae controleren. De Compagnie ging er al vrij spoedig toe over om de kisten zelf te verstrekken; bij de Admiraliteiten werd dit pas omstreeks 1695 ingevoerd, hoewel er al eerder sprake was van vergoedingen voor de aanschaffingskosten bij het monsteren. Dit is mede te verklaren uit het feit dat de chirurgijn op een oorlogsschip een aanzienlijke 'particuliere' praktijk uitoefende, in tegenstelling tot de Indiëvaarders, die het grootste deel van hun patiënten voor hun vaste gage behandelden.